er was eens een man

DSCN4439.JPG

Er was eens een man. En er was een vrouw.

De rest is geschiedenis, zou men denken. Maar uiteraard niet, lieve lezer. In deze tijden van egoïsme en angst is niets van dat alles nog vanzelfsprekend. Misschien moet ik opnieuw beginnen.

Er was eens een man. Die had een vader. Die vader leed aan een ernstige ziekte genaamd melancholie. Alles was hem zwaar – of licht, al naargelang men het wil bekijken – en het was hem enkel mogelijk te leven met deze ziekte als hij bij tijd en stond zijn glaasje sterk kon achterovergooien. Het maakte alles zoals dat heet ‘draaglijk’. Voor hem weliswaar, niet voor zijn vrouw of zoons. Die konden zijn dronken vrolijkheid maar matig verdragen en hadden liever dat hij bij de dokter een remedie ging halen voor zijn ziekte.  Ze begrepen niet wat de ziekte inhield maar vertrouwden zoals elk rechtschapen mens op de wetenschap, die op alles een antwoord heeft. Wat ze niet wisten was dat wanneer vader enkele dagen trachtte het glaasje te laten staan, dat hij zich dan bij wijlen langer dan een half uur op de badkamer moest terugtrekken – toch langer dan een gemiddeld toiletbezoek dat vereiste – en wel om zijn ziel uit te huilen. Van blijdschap of hartverlammend verdriet. Verdriet om wat kon hij nooit zeggen, al zou iemand het hem gevraagd hebben. Verdriet om het leven, om alles wat hij om zich heen zag, om de mensen die elkaar toelachten hoewel ze daar eigenlijk geen zin in hadden.

Deze man had meerdere zoons ter wereld gebracht, gebeurtenissen waarbij hij zichzelf toeliet openlijk te huilen, van blijdschap weliswaar. De zonen groeiden op tot verantwoordelijke, volwassen mannen. De jongste was echter, hoewel ook volwassen en verantwoordelijk, erg in zichzelf gekeerd. Hij sloot zich af voor mensen en hun gesprekken, beantwoordde vragen met een moeizaam gegrom. Hij bracht zijn vrije tijd door met lezen, muziek spelen en schaken. Vrienden had hij niet, dus schaakte hij online. De lezer vraagt zich inmiddels af in welke zin deze jongeman van bijna 28 een verantwoordelijk en volwassen mens kon zijn. Nu, hij had gestudeerd. Hij had een respectabele baan. Zijn collega’s mochten hem zelfs, maar vooral omdat hij een harde werker was, niet omwille van zijn sociale kwaliteiten. Hij huurde een appartement, betaalde zijn rekeningen, hield zijn zaken op orde en zijn huis schoon. Hij was verantwoordelijk. Dat hij volwassen was zullen we misschien in het midden laten, omdat dat nu eenmaal een dubieuze kwaliteit is. Wie van ons is volwassen? Wanneer is een man volwassener dan een ander? Daar valt uitvoerig over te debatteren, en vermoedelijk weet niemand het feitelijke antwoord. Misschien moet het woord ook maar worden geschrapt uit het woordenboek, ik heb het al te lichtzinnig gebruikt in de eerste regels en neem me voor om dat niet meer te doen.

Op een dag zit onze man te schaken met een online ‘kennis’, die hem via de chat interface vraagt om een keer samen te gaan schaken, in ‘real life’, om zo te zeggen. Onze man schrikt en antwoordt vooreerst niet. Tot hij na twee glaasjes sterk – van vader geleerd – bedenkt dat er niets te verliezen is, en dat hij eigenlijk ook wel eens zijn antieke schaakbord uit de kast wil halen. Hij trekt zijn stoute schoenen aan en gaat twee dagen later naar de plaats van afspraak. Te zelfbewust om meteen een glas sterk te bestellen vraagt hij een bier en drinkt het in één teug leeg. Hij bestelt er nog één en ziet een jonge kerel de bar binnenstappen. Het blijkt zijn schaakafspraak te zijn. Ze gaan zitten en onze man haalt zijn schaakbord tevoorschijn. Zonder al te veel onzinnige sociale interactie zetten ze zich aan het spel.

En zo loopt het dat onze man wekelijks op café zit, menig biertjes tot zich neemt en af en toe wint, maar meestal verliest van zijn schaakpartner. Op een avond, na een uitzonderlijke overwinning, voelt hij zich krachtig en groot, en bestelt een fles sterk voor hun beiden. De ander nipt een beetje, niet gewend aan het zware spul. Ze praten over muziek, beiden zijn liefhebbers en spelen soms een riedeltje op respectievelijk de saxofoon en de gitaar. Ze besluiten een volgende keer op het appartement van de ander af te spreken om samen muziek te spelen. Wanneer de fles halverwege is begint onze man helemaal los te komen, hij ziet het leven zowaar rooskleurig en kijkt nieuwsgierig om zich heen naar de drukte in de bar. Hij kijkt naar de mannen en de vrouwen die om elkaar heen dansen, speurt hun gezichten af, bekijkt hun subtiele lichaamsgebaren. Hij grinnikt bij zichzelf. Hij is blij dat hij er allemaal geen deel aan heeft, maar voelt zich toch warm te midden van hun gespartel.

Een week later stapt hij, gewapend met zijn gitaar en een fles sterk, op het huis van de ander af. Wanneer hij de woonkamer betreedt versteent hij ter plekke wanneer hij twee jongedames op de bank ziet zitten. Zijn vriend pakt hem vrolijk bij de schouder en trekt hem mee de woonkamer door, naar een kamertje achterin waar hij een hele muziekinstallatie heeft staan. Op zijn gemak gesteld plugt onze man zijn gitaar in en ze spelen samen twee uur lang alsof ze nooit iets anders gedaan hebben. Tussendoor leegt hij zijn fles sterk. Wanneer ze hun muzieksessie beëindigen en weer de woonkamer binnengaan laat hij zijn vrolijkheid niet dempen door de aanwezigheid van de vrouwen. Ze spreken hem aan en vuren vragen op hem af, de meeste beantwoordt hij met een verzinsel. De vrouwen merken zijn leugens blijkbaar niet op, waardoor hij telkens vrijpostiger wordt. Zijn vriend lacht hartelijk en klopt hem op de schouder. Jij bent er me eentje, kerel! Hahaha. Hij komt op dreef en zegt de grofste dingen, niemand neemt er aanstoot aan, ze lijken hem er alleen aardiger om te vinden. Er vloeien nog vele biertjes en de avond verloopt in uiterste hilariteit, hij is de ster van het gezelschap.

De dag nadien bezint hij zich thuis over de avond en geeft zichzelf in gedachten schouderklopjes. Hij kon nooit goed met mensen omgaan, vond dat ze een heleboel onzin verkochten. Maar blijkbaar kan hijzelf nog grotere onzin verkopen en vindt iedereen het bovendien geweldig! Het doet hem moed vatten om de wereld in te gaan. Hij drinkt zich een paar glaasjes ter inspiratie en gaat op pad. Het eerste café dat hij tegenkomt stapt hij binnen. Het gejoel van de massa overweldigt hem – het is zaterdagavond – maar hij baant zich een weg naar de bar, vastbesloten om ook vanavond zijn nieuwe techniek op mensen toe te passen. Hij bestelt een biertje en spreekt de man naast hem aan, een dronken grijsaard die zich duidelijk al een tijd niet meer gewassen heeft. Vind jij douchen ook zo’n gedoe? Ik anders wel! Allemaal vrouwenonzin! zegt onze man terwijl hij de ouwe op de schouder klopt en luid begint te lachen. De ouwe deinst terug maar laat zich binnen een paar tellen meevoeren op de lach van de ander. Onze man heeft zichzelf heruitgevonden.

Weken, maanden vol drank en gelach volgen. Hij maakt ‘vrienden’ op de gekste plekken. En waar niet gelachen kan worden, kan altijd worden geschaakt of muziek gemaakt. En in ieder geval gedronken. De drank en de wereld van onzinnige leugens voeren hem mee op een roes van avontuur en uitbundigheid. En dan was er een vrouw. Zoals altijd, in ieder verhaal, moet er, wanneer er een man is, ook een vrouw zijn. Dat is de wet van de literatuur, maar ook van het leven.

Deze vrouw is niet de mooiste, niet de meest charmante, maar ze is anders dan de andere vrouwen. Ze lacht niet met zijn grappen. Ze wil de waarheid weten. Hij vertelt haar dat hij een baan heeft, vrienden, een mooi leven. Ze is tijdelijk tevreden gesteld. Ze vertelt hem in alle ernst over zichzelf, hij hoort het geboeid aan. Ze is zo open, en daardoor zo kwetsbaar dat het hem fascineert. De meeste mensen zijn zelden werkelijk eerlijk. Ze stelt voor om een keer samen iets te gaan eten. Onze man stemt in, ondanks zichzelf. Hij hunkert niet naar nabijheid, verlangt niet open en kwetsbaar te zijn. En hij voelt aan dat dit soort vrouw met minder geen genoegen zal nemen.  Maar ze maakt iets in hem wakker. Iets wat hem herinnert aan…  aan vroeger, aan onbezorgde jeugdige lentedagen. Toen hij nog een onhandige puistige slungel was en niemand hem dat kwalijk nam. Toen hij zich nog thuis voelde in de wereld.

Hij heeft ooit één vriendinnetje gehad, tijdens zijn studententijd. Die was overigens verlopen zonder een donderslag. Het was een saaie maar bevredigende tijd geweest. Hij mocht boeken lezen en werd er voor beloond met mooie cijfers. Zijn vriendinnetje ontmoette hij tijdens een college. Beter gezegd, hij keek een keer geheel toevallig haar richting uit, terwijl zij net haar hoofd naar hem toedraaide. Om één of andere reden had zij dat heel bijzonder gevonden, ze kwam hem na het college achterna gelopen en vroeg hem om samen koffie te drinken. Ze stelde hem geen enkele vraag en daar was hij dankbaar om. Ze praatte aan één stuk door over het boek dat ze aan het lezen was. Het kon hem wel vermaken, in tussentijd keek hij onbeschaamd naar haar gezichtsuitdrukkingen als keek hij televisie. Toen het beeld uit de tv plots op hem toe dook om hem een zoen op de lippen te drukken was hij nog teveel in trance om geschokt te zijn. Bovendien was het een bijzondere sensatie, een stel lippen op de zijne. En zo was de rest van hun verhouding verlopen. Zij praatte, zoende hem, verwende hem. En hij keek toe en liet het gebeuren. Seks hadden ze veel en uitvoerig. Hij deed wat zijn gevoel hem ingaf en blijkbaar viel dat in de smaak. Hij vond vrijen heerlijk, net als muziek spelen. De vingers over snaren laten glijden of over borsten. Het eigen genot zoeken zonder schroom. Zonder woorden. Na een half jaar moet ze plots in de gaten hebben gekregen dat hij al die tijd nauwelijks een woord met haar had gesproken, en als een hysterische begon ze hem uit te vragen. Hij klapte dicht en de zoenen hielden op.

Maya heet ze. Deze nieuwe vrouw die hem verwart.  Die hem verplicht tot spreken over zichzelf, iets waar hij een bloedhekel aan heeft. Toch kan hij zich niet van haar afkeren. Hij gooit nog regelmatig onwaarheden en grapjes in zijn verhalen, die ze met een opgetrokken wenkbrauw aanhoort. Ze weet dat het leugens zijn, en in zekere zin voelt het op die manier alsof hij haar de waarheid vertelt. De waarheid ligt in het ongezegde, en in de reden waarom ze elkaar blijven opzoeken. Ze schijnt geen gevoelens voor hem te koesteren, maar zoekt desondanks zijn gezelschap zo vaak ze kan. Ze is nieuw in de stad en is blij iemand te kennen, ook al is dat een onberekenbare leugenachtige dronkaard.

Op een avond ontmoeten ze elkaar toevallig op de stoep voor het café waar onze man reeds vele uren heeft gesleten. Hij nodigt haar uit voor een drankje en het worden er veel. Om onduidelijke reden heeft ook zij die avond behoefte aan lichtzinnigheid. Ze laat zich meedrijven op het gelach en de obsceniteiten van het gezelschap. Want ze zijn niet alleen, onze man verzamelt in een handomdraai een boel bekenden om zich heen, een doordeweekse avond verandert in een uitgelaten feest. Maya bevindt zich in een wereld waar ze vanuit haar nuchtere zelf op neerkijkt, maar eigenlijk vooral niet begrijpt. Nu ze zich erin onderdompelt, ziet ze plots wat een mooie kleuren de tropische vissen om haar heen hebben. Ze baadt zich gewillig en vol overgave.

Een week lang ziet of hoort onze man haar niet. Tot zijn verjaardagsfeest. Ze komt laat, moest zogezegd nog bij andere vrienden langs. Tegen de tijd dat ze arriveert is onze man reeds op een muzikale, met alcohol doordrenkte high en geeft enkele wilde gitaarsolo’s ten beste aan het verzamelde gezelschap van bekenden. Enkelen doen met hem mee en zetten een ronde improvisaties in, met ter plekke bedachte teksten die  bijdragen tot de algehele hilariteit. Maya aanschouwt de scène en weet zich er rationeel van te distantiëren, maar iets in haar onderbuik protesteert en doet haar anders kijken naar de halvegare die zijn gitaar staat te verkrachten. Ze herkent het gevoel vaag en laat het gedwee toe, maar blijft zitten in de hoek van de kamer. Ze neemt nog een slok wijn. En nog één. Ze neemt ondanks zichzelf een trek van een joint die haar wordt aangereikt door iemand die ze nooit eerder zag. Ze lacht en drinkt nog meer wijn. Van onder haar wimpers kijkt ze steeds weer naar onze man, die haar aanwezigheid alweer lijkt te zijn vergeten. Het feest gaat onverwijld verder, mensen komen en gaan. Tot ergens halverwege de ochtend , wanneer nog slechts drie over zijn, onze man, zijn schaakmaat en Maya. De schaakmaat trekt zich terug in de logeerkamer, Maya ligt in een roes met de ogen dicht op de bank. Onze man tokkelt een eenvoudige melodie op de gitaar. Hij denkt dat Maya slaapt en schrikt wanneer ze overeind komt en hem bij de kraag van zijn hemd naar zich toetrekt. Ze zoenen zich een ongeluk op de bank en maken het af in de slaapkamer. Maya is onder de indruk, ook al kan ze niet meer helder denken. Onze man is meer dan ze had durven denken. Ze valt in slaap en denkt vaag Ach, morgen…

In de ochtend is alles licht, de zon wurmt zich binnen door alle spleten en kieren, vrolijkheid moet en zal er zijn. Maya glimlacht breed maar vreest het einde van de roes en vertrekt na een vluchtige zoen.

Door omstandigheden zien ze elkaar een paar lange weken niet. Bij beiden is het verlangen gewekt naar meer – ondanks zichzelf. Beiden bevragen zichzelf en begrijpen niet. Willen liever anders, en ook weer niet. Iets in het fysieke contact tussen de twee was waarheid. Was dat wat woorden nooit zullen kunnen zeggen.

Ze sturen elkaar berichten waaruit hun beider terughoudendheid, maar ook hun verlangen duidelijk blijkt. Gesterkt door de onzekerheid van de ander durven ze hun gevoelens de vrije loop laten. Bij het weerzien is er geen twijfel en stappen ze resoluut op elkaar toe om die ene kus, dat ene gevoel te mogen ontvangen, voelen, drinken. Toch houden ze zich de rest van de avond betrekkelijk gedeisd. Ze zitten bij haar thuis op de bank en praten, lachen, drinken. Waar de gesprekken over gaan zullen ze zich later allebei niet herinneren, omdat ze aan elkaar geregen worden door zoenen en hartstochtelijke omhelzingen, die ze telkens weer beëindigen, als was het iets wat ze nog even willen opsparen. De pot vol zoete honing niet in één teug leegdrinken. Toch belanden ze samen in bed, maar door al het uitstel is er iets verschoven, het hoogtepunt hebben ze al achter zich gelaten. Ze proberen met overgave te vrijen maar voelen zich allebei uitgeput en niet bij machte om lang door te gaan. Het is een lichaamsdans van een tweeëenheid, terwijl dat niet is wat ze bij elkaar zoeken. Er is eenheid, ergens tussen hun, ergens in de regionen tussen de zoenen en het gelach.

De tijd die komt zoeken ze elkaar vaak op, en zoeken ze middels afstoten en aantrekken naar dat ene middelpunt, dat hier en daar om de hoek komt kijken maar zich toch telkens weer verschuilt. Het is uitputtend en beiden graven in hun ziel op zoek naar begrijpen. Zij in de vorm van woorden, hij van muziek. Zij denkt het antwoord gevonden te hebben en besluit met hem te praten. Het is te vlug, ze kennen elkaar niet voldoende, als het zo moet zijn dan gebeurt het vast nog. Hij zegt niks en kruipt, zonder tegenspraak, weer in zijn schulp. Hij gaat verder waar hij was gebleven vóór Maya. Hij leest, drinkt, speelt muziek en schaak. Op een dag komt hij thuis van een drinkavond en vindt een brief op zijn voordeur geplakt.  Van Maya, om te zeggen dat haar verlangen zo groot is dat ze toch bij hem wil zijn, ook al wil ze het eigenlijk met haar verstand niet en is het vast geen goed idee. Onze man zucht diep en kruipt onder de wol. Teveel woorden.

De volgende ochtend wandelt hij naar haar huis, onderweg zichzelf afvragend waarom eigenlijk. Die woorden verstoren zijn evenwicht, hij wil ze niet in zijn kop horen nagalmen en raakt met elke stap meer geïrriteerd. Tegen de tijd dat hij bij haar deur is aangekomen weet hij werkelijk niet meer wat hij daar doet. Ze opent de deur zonder dat hij heeft aangebeld, alsof ze voelde dat hij daar stond. Hey! zegt ze vrolijk, maar haar gezicht vertrekt al gauw in een vraagteken. Ze durft geen stap te zetten. Hij wil haar omhelzen en doet dat ook. Hij omhelst haar uit onmacht, uit verwarring, uit angst om een woord te moeten uiten. En hup, daar is het weer. Dat moment, dat gevoel. De omhelzing mondt uit in een passionele kus die urenlang lijkt te duren. Ze weten beiden niets te zeggen, weten niet waar te kijken. Ze staan een tijd in stilte maar beginnen algauw weer te zoenen, want dat is alles wat nog zin heeft.

De dagen die volgen hebben ze het beiden druk met vanalles, maar ze slagen erin elkaar tussendoor op te zoeken voor korte of lange zoenen. Aan het eind van de vierde dag hebben ze eindelijk allebei een avond vrij, en hoewel onze man tegen dan vreselijk bedronken is, slagen ze er toch in om een passionele nacht te delen. De hartstocht, het verlangen is zo groot dat het hun overstijgt. Hun lichamen gaan tekeer en laten geen ruimte voor zoenen. Zo blijven ze dus nog steeds op een afstand van het grote gevoel. Ze besluiten het te negeren en zich over te geven aan de fysieke bevrediging.

De ochtend na deze nacht is onze man verwarder dan ooit. Er waren geen woorden en toch is hij geïrriteerd, ongemakkelijk. Deze vrouw doet hem verlangen naar dingen die hem mateloos beangstigen. Hij voelt zich teleurgesteld over de nacht hoewel die wild was en zonder woorden. Het was op een perverse manier bevredigend, maar. Maar wat weet hij niet. Hij kronkelt in zichzelf en bedenkt manieren om haar die dag uit de weg te kunnen gaan. De nacht schijnt op haar het omgekeerde effect gehad te hebben, ze straalt en lacht haar breedste lach naar hem. Hij draait zich om en gaat wandelen. Ze komt hem nagelopen en drukt hem een zoen op de lippen, die hij louter fysiek beantwoordt. Ze voelt het en fronst, maar voor ze iets kan zeggen is hij weg.

Hij drinkt en drinkt en drinkt. Hij lacht en lult met een nieuwe ‘vriend’, waarmee hij over muziek praat tot ze er beiden bij neervallen. Ze vallen ook letterlijk neer, ergens tussen de ochtendschemer en het kraaien van de haan. Wanneer onze man ontwaakt aan de kant van de weg is hij alleen. Hij haalt zijn schouders op en wandelt naar huis. Waar Maya op hem wacht. Hij wordt boos op haar om iets onbenulligs, haar ogen worden groot en ze opent  haar mond om iets te zeggen maar doet het niet. Ze blijft zitten op zijn bank terwijl hij in bed kruipt. Ver ver weg hoort hij haar snikken, hij valt in slaap en slaapt de heerlijkste slaap die hij in tijden sliep.

De volgende ochtend staat hij op, zet koffie, tokkelt op zijn gitaar en speelt online schaak. De dag verloopt zonder een rimpeling. Tegen de avond proost hij met zichzelf om een geslaagde dag en drinkt een halve fles sterk om de waarheid op een afstand te houden.

De waarheid laat zich niet meer zien. Maya ook niet.

2015

Dit bericht werd geplaatst in schrijfsels, vertelsels en getagged met , , , , , , . Maak dit favoriet permalink.

Een reactie op er was eens een man

  1. Pingback: hiephiep | wieschrijftdieblijft

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s