debuutroman

Cover Rigby HR

 

het boek is er!!!

Eerste verkoopmoment a.s. zondag 17 september van 9u-17u tijdens de Parochiefeesten in Bouwel (eer aan de heimat). Online te koop via de knop Boek bestLL hierboven.

Alvast een smaakmakertje:

[…]

Daarna was niets nog hetzelfde geweest. De dagen nadien had hij tevergeefs meer informatie uit haar proberen los te krijgen over het weekend en wat ze precies hadden gedaan, maar het was zinloos. Kristin was bijna opgehouden met praten, ze sprak enkel nog met losse woorden.

‘Ja, goed. Nee, geen zin. Doe jij maar. Slaapwel.’

Ze keek hem ook nauwelijks nog aan, het was alsof ze zich ergens voor schaamde. Na een week had hij het opgegeven en zich erbij neergelegd dat het mogelijk een fase was. Dat ze een soort crisis had gekregen tijdens het weekend, en dat hij haar beter even gewoon met rust liet. Dan zou het vanzelf wel overgaan.

Maar het ging niet over. Na drie weken was de maat voor hem vol en werd hij woedend. Hele tirades hield hij, over hoe hij van haar hield en dat ze hem toch wel een verklaring verschuldigd was. Maar het mocht allemaal niet baten, ze bleef in haar stille cocon. Ten einde raad belde hij één van de vriendinnen op die het weekend hadden georganiseerd.

Zo kwam hij er achter dat ze naar een soort meditatiecentrum waren geweest en dat daar inderdaad iets vreemds met Kristin was gebeurd. De vriendin kon verder ook niet veel meer licht werpen op de zaak, ze had Kristin sindsdien zelf niet meer gezien of gehoord, wat eigenlijk ook bizar was. Ze voegde er enkel nog aan toe dat Kristin lange gesprekken had gevoerd met de sjamaan die de meditaties had geleid.

Een sjamáán, godnogaantoe, dacht Koen toen hij de hoorn weer op de haak legde.

‘Waar is ze toch mee bezig?’, schreeuwde hij uit in het lege huis.

Kristin was op één van haar “tochten”, zoals hij ze noemde, waarbij ze gewoon verdween en pas vele uren later weer opdook. Hij plaatste zijn handen voor zijn gezicht en barstte langzaam in snikken uit. Totale wanhoop overspoelde hem. Was hij haar kwijt?

[…]

Midden juli, vijf weken na haar terugkeer van het meditatieweekend, schreef hij haar een briefje, dat hij op haar bureau legde, waar ze zich meestal afzonderde als ze terugkwam van haar tochten. Het was een kort briefje, veel woorden had hij zelf ook niet meer over.

                  Als je nog íets voor mij voelt, kom dan om negen                                                                             uur naar ons plekje. Alsjeblieft. Koen.

 Hun plekje was een eenvoudig bankje onder een boom bij de visvijver, enkele honderden meters van hun huis. Als er niet werd gevist was het er hemels stil, en ze hielden allebei van de grote treurwilg met zijn afhangende takken, die als moeë armen in het water hingen.

Hij at een snel avondmaal en ging naar buiten. Hij wandelde onmiddellijk richting visvijver, hoewel het amper zeven uur was. Hij wilde niet thuis zijn als ze binnenkwam en het briefje vond.

Hij installeerde zich op het bankje en wachtte. Hij dacht aan vrolijker tijden, aan hoe ze elkaar hadden leren kennen en aan de reizen die ze samen hadden gemaakt. Ze waren steeds goede reispartners geweest. Ze waren dan werkelijk een eenheid, meer nog dan thuis. Hij wist niet wat hij Kristin zou zeggen, als ze al kwam, want daar twijfelde hij sterk aan. Het was misschien ook beter als ze niet kwam, dan kon hij zijn leven verder zetten. Hij zou dan een manier moeten vinden om zonder haar weer zin in het leven te vinden, maar alles was beter dan de zinloosheid en de frustratie van de laatste vijf weken. Het was beter om van het ergste uit te gaan. Bovendien had hij geen idee wat hij haar nog zou kunnen zeggen. Hij had het gevoel dat hij alles al had geprobeerd.

 Zo zat hij daar bijna twee uur voor zich uit te staren over de visvijver, zonder werkelijk te denken aan de boodschap die hij haar wou geven en toch heel de tijd onbewust zoekend naar een antwoord, een ingeving van bovenaf.

Toen het vijf voor negen was kwam hij overeind, strekte zich uit en liep even rond de boom, daarbij uitkijkend over de weg of er iemand die richting op kwam. De laan was verlaten. Hij wilde wel huilen maar vermande zich. Hij wilde zich niet sentimenteel tonen als ze toch nog kwam. Hij wilde sterk zijn en klare taal spreken.

Hij moest iets doen om zichzelf af te leiden van wat voor hem lag, de mogelijkheden leken momenteel allemaal om het zwartst. Hij besloot rond de visvijver te gaan lopen, en zong daarbij een lied uit zijn kindertijd dat hem altijd vrolijk maakte. Hij zong uit volle borst en raakte al snel in vervoering. Het zingen werkte bevrijdend. Het lied was nog niet klaar toen hij terug bij de boom was, dus begon hij een tweede rondje.

‘Want de olifant die is toch zo plezant!’, zong hij en moest er waarlijk bij glimlachen, toen hij plots aan de overkant van de vijver iemand zag verschijnen. Kristin! Ze is gekomen! Hij was nu helemaal vrolijk, van het lied en van haar verschijning, zodat hij de rest van het rondje uitspurtte tot hij bij haar was aan de boom.

Hijgend stond hij voor haar en zei: ‘Je bent gekomen! Je bent gekomen!’, en gaf haar impulsief als vanouds een smakkerd op haar mond. Hij omhelsde haar, maar voelde meteen de weerstand in haar lichaam. Hij schrok wakker als uit een droom en liet haar ogenblikkelijk weer los.

‘Wat wilde je me vertellen?’ vroeg ze hees.

‘Ik… ik… euh… Ik wilde je vragen of je met me op reis wil gaan.’ Het flapte er uit, hij had er niet bij nagedacht.

Ze trok schamper haar rechterwenkbrauw op alsof ze wilde zeggen ‘Meen je dat nu?’

‘Ja, ik dacht, we moeten er allebei eens uit, en je weet toch dat we het altijd zo fijn hebben samen, als we op vakantie zijn, en ik weet, het gaat even moeilijk met je, met ons, ik bedoel, we praten niet meer, tenminste, ik probeer het wel, maar, …’ Hij ratelde en raakte in ademnood. Hij probeerde haar aan te kijken maar ze staarde langs hem heen in de verte. Haar gezicht liet niets uitschijnen van wat ze voelde of dacht, maar haar stilte kwam hem als spottend over.

‘In ieder geval, ik dacht dat het ons goed zou doen. Ik wil het graag. Doe het voor mij. Doe het voor óns.’

Bij het woordje “ons” keek ze hem plots strak aan. Haar ogen schoten vuur, maar nog steeds zei ze niets. Koen kon haar blik niet verdragen en draaide zich van haar weg.

Hij wilde wegwandelen, maar was als versteend. Hij kón niet van haar weglopen, het was alsof ze een magneet was en hij het ijzer dat onherroepelijk naar haar toe werd gezogen. Maar hij durfde haar niet meer aankijken, dus bleef hij daar zo staan, met zijn rug naar haar toe. Zijn hart ging als een razende tekeer in zijn borstkas, voor zijn gevoel zó luid dat het gebons over de vijver weergalmde. Zeg iets, zeg iets, zeg iets, … dacht hij wanhopig, niet zeker of dat tegen zichzelf of tegen haar was bedoeld. En dan hoorde hij plots dat ze haar keel schraapte.

Met een ruk draaide hij zich om, ze stond nog steeds op dezelfde plaats, alleen hingen haar schouders nu af en staarde ze naar haar voeten.

‘Oké…’, zei ze. ‘Laten we op reis gaan.’

Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in het grotere werk, nieuws en getagged met , , , , , , , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s